IORP II: Totaaloverzicht

feb 21
SPEN/CION Gecertificeerd

Printen?
Download hieronder het pdf bestand.

Download PDF nieuwsbericht

Totaaloverzicht

In werking!

Op 13 januari 2019 is de implementatiewetgeving van de herziene IORP-richtlijn (ook wel IORP II) in werking getreden. In een reeks nieuwsberichten geven wij een overzicht van de gevolgen.

In dit laatste nieuwsbericht geven wij een overzicht van alle onderwerpen waarover wij nieuwsberichten hebben geschreven.

Lees hier ons eerste nieuwsbericht van 21 januari 2019 over de vernieuwde eisen voor een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht. En hier ons tweede nieuwsbericht van 28 januari 2019 over communicatie. Lees hier ons derde nieuwsbericht van 7 februari 2019 over sleutelfuncties. En hier ons vierde nieuwsbericht van 11 februari 2019 over verschillende onderwerpen.

Wij hebben een track changes versie van de Pensioenwet opgesteld, waar de implementatie van IORP II is opgenomen. Bekijk hem hier.

Het algemene doel van de IORP-richtlijn is om de ontwikkeling van het bedrijfspensioensparen in de Europese lidstaten te vergemakkelijken. Nederland heeft de IORP-richtlijn in 2006 geïmplementeerd in de Pensioenwet.

De IORP-richtlijn heeft betrekking op pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen (hierna: PPI’s). Echter de Nederlandse wetgever heeft er voor de informatievereisten richting (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden voor gekozen dat de veranderingen in de bepalingen over informatieverstrekking ook gevolgen hebben voor verzekeraars voor zover zij een tweede pijlerpensioenregeling uitvoeren.

Grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht

Inleiding

De wet ter implementatie van de herziene IORP-richtlijn introduceerde enkele aanvullende voorwaarden bij een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht die beogen (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden te beschermen. Het gaat hier over grensoverschrijdende collectieve waardeoverdrachten tussen lidstaten van de Europese Unie. Vanuit Nederlands perspectief gaat het meestal over grensoverschrijdende collectieve waardeoverdrachten van Nederland naar België.

Goedkeuring meerderheid

De herziene IORP-richtlijn stelt als voorwaarde voor grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht de goedkeuring van een meerderheid van de betrokken (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden, dan wel hun vertegenwoordigers. De implementatiewet geeft invulling aan het meerderheidsvereiste door goedkeuring te verlangen van tweederdemeerderheid van de deelnemers en gewezen deelnemers en de goedkeuring van tweederdemeerderheid van de pensioengerechtigden (die reageren op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek).

Minimale respons
Tijdens de parlementaire behandeling werd er gevraagd of er in het kader van het goedkeuringsrecht een minimale respons vanuit de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden nodig is. Dat is niet het geval. Het uitgangspunt is, volgens minister Koolmees, dat er goedkeuring moet zijn gegeven door een tweederdemeerderheid van de reagerende (gewezen) deelnemers en tweederdemeerderheid van de reagerende pensioengerechtigden, onafhankelijk van het aantal reacties. Als er dus maar enkele deelnemers reageren wordt op basis van de reactie van deze beperkte respons bepaald of er goedkeuring is.

Tijdig informeren

Verder wordt geregeld dat deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden tijdig worden geïnformeerd over het goedkeuringsrecht. Hierbij moet in ieder geval duidelijk naar voren komen hoe de goedkeuring kan worden verleend of worden geweigerd, de termijn waarbinnen de reactie moet zijn ontvangen, de wijze waarop wordt vastgesteld of is voldaan aan de vereiste goedkeuring door de deelnemers en gewezen deelnemers enerzijds en pensioengerechtigden anderzijds (tweederdemeerderheid van de beide geledingen) en de verdere procedure.

Goedkeuring werkgever

Een andere voorwaarde voor grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht is de goedkeuring van de werkgever, indien van toepassing.

Goedkeuring DNB

Voor een grensoverschrijdende waardeoverdracht vanuit Nederland naar een andere lidstaat is ook goedkeuring van DNB nodig. DNB verleent alleen toestemming voor de collectieve waardeoverdracht, indien:

  1. In geval van een gedeeltelijke collectieve waardeoverdracht de langetermijnbelangen van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden van het resterende deel van de pensioenregeling afdoende worden beschermd
  2. De individuele pensioenaanspraken en pensioenrechten van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden na de collectieve waardeoverdracht minstens gelijk blijven en
  3. De met de over te dragen pensioenregeling overeenkomende activa toereikend en passend zijn om de over te dragen passiva, technische voorzieningen en andere verplichtingen en rechten te dekken

Goedkeuring buitenlandse toezichthouder

Voor een grensoverschrijdende waardeoverdracht vanuit Nederland naar een andere lidstaat is ook goedkeuring van de toezichthouder uit de andere lidstaat vereist.

Indien (eerst) DBN goedkeuring heeft verleend voor de collectieve waardeoverdracht, verleent de toezichthouder van de andere lidstaat (daarna) goedkeuring voor de collectieve waardeoverdracht, mits:

  • De aanvraag tot goedkeuring de vereiste gegevens bevat
  • De administratieve structuur, de financiële positie van het pensioenfonds en de goede reputatie of de beroepskwalificaties of beroepservaring van de personen die het pensioenfonds besturen met de voorgenomen collectieve waardeoverdracht verenigbaar zijn
  • De langetermijnbelangen van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden van het pensioenfonds en het overgedragen deel van de pensioenregeling tijdens en na de collectieve waardeoverdracht afdoende worden beschermd
  • De technische voorzieningen van het pensioenfonds op het moment van de collectieve waardeoverdracht volledig door kapitaal zijn gedekt en
  • De over te dragen activa toereikend en passend zijn om de over te dragen passiva, technische voorzieningen en andere verplichtingen en rechten te dekken

Verschil binnenlandse waardeoverdracht

Tijdens de parlementaire behandeling is de vraag gesteld of het is toegestaan om onderscheid te maken tussen de voorwaarden die gelden voor een grensoverschrijdende en een binnenlandse collectieve waardeoverdracht. Minister Koolmees antwoordde dat het maken van een dergelijk onderscheid is toegestaan: ‘In het Verdrag inzake de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) zijn onder andere het vrij verkeer van diensten en het vrij verkeer van kapitaal neergelegd. Om onder deze vrijheden te vallen, dient er sprake te zijn van een grensoverschrijdend element. Zogeheten interne situaties, oftewel situaties waarin alle aspecten zich in één lidstaat afspelen, worden niet door de vrijheden geraakt. Als een Nederlandse pensioenuitvoerder de waarde van een pensioenregeling overdraagt aan een andere Nederlandse pensioenuitvoerder is sprake van zo’n interne situatie. Derhalve hoeven de (aanvullende) regels die op grond van de richtlijn moeten gelden voor een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht niet te worden geïmplementeerd voor een collectieve waardeoverdracht binnen Nederland.’

Sleutelfuncties

Inleiding

De implementatiewet introduceert sleutelfuncties, waarover pensioenfondsen  moeten beschikken. Het gaat om de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie en actuariële functie. Een pensioenfonds mag bij de inrichting van de sleutelfuncties rekening

houden met de omvang en interne organisatie van het pensioenfonds, alsmede met de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van het pensioenfonds. Uitgangspunt is dat het identificeren van de sleutelfuncties niet tot al te belastende vereisten voor een pensioenfonds mag leiden. Er zijn dan ook verschillende mogelijkheden om binnen de wettelijke voorwaarden te voldoen aan de vereisten

omtrent de sleutelfuncties. Een pensioenfonds is zelf verantwoordelijk voor het naar behoren inrichten van de sleutelfuncties. DNB ziet hierop toe.

Bij het inrichten van de sleutelfuncties mag onderscheid gemaakt worden tussen ‘personen die sleutelfuncties vervullen’ en ‘houders van een sleutelfunctie’. De eerste categorie heeft betrekking op alle personen die betrokken zijn bij de uitvoering van de sleutelfuncties. De tweede categorie ziet daarentegen enkel op de personen die eindverantwoordelijk zijn voor de uitoefening van de taken die vallen onder een sleutelfunctie.

Het pensioenfonds moet de houders van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie en actuariële functie in staat stellen deze functies op een objectieve, eerlijke en onafhankelijke manier te vervullen.

Risicobeheerfunctie

Een pensioenfonds stelt in het kader van het risicobeheer schriftelijk beleid vast ten aanzien van de beheersing van te lopen risico’s en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid.

De risicobeheerfunctie beoordeelt, monitort en rapporteert over het risicobeheersysteem. Ook heeft de risicobeheerfunctie een initiërende en adviserende rol bij het vormgeven van het risicobeheer.

Interne auditfunctie

Een pensioenfonds legt schriftelijk beleid vast met betrekking tot de interne audit en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. Het pensioenfonds evalueert het beleid ten minste driejaarlijks en past het beleid na een belangrijke wijziging onverwijld aan.

De interne auditfunctie is belast met het uitvoeren van (interne) audits binnen de

bedrijfsvoering van een pensioenfonds. De interne audit omvat de evaluatie van het interne controlesysteem en de evaluatie van onderdelen van het vastgelegde governancesysteem.

Actuariële functie

Een pensioenfonds legt schriftelijk beleid vast met betrekking tot de actuariële activiteiten en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. Het pensioenfonds evalueert het beleid ten minste driejaarlijks en past na een belangrijke wijziging het beleid onverwijld aan.

De actuariële functie dient onder meer toe te zien op de berekeningen van de technische voorzieningen en premiestelling van een pensioenfonds. De taken bestaan onder andere uit het beoordelen van methodieken en modellen, de coördinatie en toezicht op de berekening van de technische voorzieningen, en de informatieverstrekking aan het bestuur, advies over de adequaatheid verzekeringsregelingen en uit het bijdragen aan doeltreffende toepassing van het risicobeheerssysteem.

Dubbelfuncties

De waarmerkend actuaris mag geen andere werkzaamheden verrichten dan het  waarmerken van het actuarieel verslag. De implementatiewet voor de herziene IORP-richtlijn maakt een uitzondering voor het uitoefenen van de actuariële sleutelfunctie. De actuariële functie mag bij de waarmerkend actuaris belegd worden.

De risicobeheersfunctie en de actuariële functie kunnen door dezelfde persoon worden uitgeoefend, met uitzondering van de persoon die naast het uitoefenen van de actuariële functie ook waarmerkend actuaris is.

De interne auditfunctie kan niet met een andere sleutelfunctie worden gecombineerd. Reden hiervoor is dat in het kader van de interne auditfunctie ook toegezien wordt op taken van de risicobeheerfunctie en de actuariële functie.

Sleutelfuncties kunnen (ook) uitgeoefend worden door bestuursleden.

Sleutelfuncties mogen door dezelfde personen worden uitgeoefend die bij de werkgever een dergelijke functie uitoefenen. Voorwaarde is dan wel dat het pensioenfonds moet uitleggen hoe eventuele belangenconflicten met de werkgever worden voorkomen of beheerst. Dit moet opgenomen worden in de eigenrisicobeoordeling en hierover moet in de gedragscode een bepaling  gewijd worden.

Betrouwbaarheid en geschiktheid

DNB toetst de betrouwbaarheid van een persoon die houder is van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie voorafgaand aan de benoeming van deze persoon en op ieder ander moment, indien daar, naar het oordeel van DNB aanleiding toe bestaat.

De geschiktheid van de houders van deze functies toetst DNB, indien daar, naar het oordeel van DNB, aanleiding toe bestaat. Verplichte voorafgaande toetsing door DNB wordt niet noodzakelijk geacht.

De personen die de interne auditfunctie of actuariële functie vervullen voldoen aan de vereiste geschiktheid indien hun beroepskwalificaties, beroepskennis en beroepservaring volstaan om de functie naar behoren te vervullen.

De personen die de risicobeheerfunctie vervullen voldoen aan de vereiste geschiktheid, indien hun kwalificaties, kennis en ervaring volstaan om de functie naar behoren te vervullen.

In zes Q&A’s op de website van DNB gaat DNB in op de eisen aan geschiktheid en betrouwbaarheid van sleutelfunctiehouder.

DNB toetst de geschiktheid en betrouwbaarheid van een persoon die de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie, niet zijnde het houderschap van deze functie, uitoefent, indien daar, naar het oordeel van DNB, aanleiding toe bestaat. Hetzelfde geldt voor een lid van een visitatiecommissie die het intern toezicht uitoefent. Ook voor hen wordt verplichte voorafgaande toetsing door DNB niet noodzakelijk geacht.

Melding

De houders van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie rapporteren materiële bevindingen en aanbevelingen op het gebied dat onder hun verantwoordelijkheid valt aan het bestuur van het pensioenfonds. Indien de houder van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie tevens bestuurder is van het pensioenfonds worden de materiële bevindingen en aanbevelingen ook gerapporteerd aan de raad van toezicht of de visitatiecommissie.

Indien het bestuur van het pensioenfonds niet tijdig passende corrigerende maatregelen treft melden de houders van de sleutelfunctiehouders dit zo spoedig mogelijk aan DNB. Er moet dan wel sprake zijn van:

  • Een substantieel risico dat het pensioenfonds niet aan een bij of krachtens de wet gesteld vereiste van significante betekenis zal voldoen en dit ernstige gevolgen kan hebben voor de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden of
  • Een significante inbreuk op de voor het pensioenfonds en haar activiteiten geldende bij of krachtens de wet gestelde vereisten

Verzuimt een sleutelfunctiehouder melding te doen bij DNB dan kan, blijkens de parlementaire behandeling DNB een aantal maatregelen nemen, zoals een toezichtgesprek, een waarschuwingsbrief sturen en/of een aanwijzing aan de pensioenuitvoerder verstrekken. Ook kan DNB besluiten tot (her)toetsing van geschiktheid en betrouwbaarheid

Het pensioenfonds draagt er zorg voor dat de houder van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie die op grond van het derde lid te goeder trouw en naar behoren een melding heeft gedaan bij de toezichthouder als gevolg van deze melding niet wordt benadeeld.

Uitbesteding sleutelfunctiehouders

Uitbesteding van de functie van sleutelfunctiehouder is mogelijk. Al zal dat niet makkelijk zijn. Van geval tot geval zal bekeken moeten worden of uitbesteding mogelijk en wenselijk is.

De voorwaarden voor uitbesteding zijn vastgelegd in de Pensioenwet. Uitbesteding is niet toegestaan bij zaken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen,  het opstellen van en toezien op het strategisch beleid ten aanzien van vermogensbeheer,  werkzaamheden waarvan uitbesteding de verantwoordelijkheid van de uitvoerder voor de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen en het toezicht daarop kan ondermijnen en indien de uitbesteding een belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Pensioenwet bepaalde.

Door deze voorwaarden zal het veelal niet mogelijk zal zijn om de rol van houder van de risicobeheerfunctie en de rol van houder van de interne auditfunctie uit te besteden.

Zo moet de risicobeheerfunctie in staat zijn een totaalbeeld te vormen van alle relevante risico’s waaraan een pensioenfonds wordt of kan worden blootgesteld. De houder van de risicobeheerfunctie draagt daarvoor de verantwoordelijkheid. Dit vergt een nauwe betrokkenheid van de houder van de risicobeheerfunctie bij het pensioenfonds. In het geval van uitbesteding staat de houder van de risicobeheerfunctie doorgaans te veel op afstand van het pensioenfonds om die verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Om die reden staan de voorwaarden voor uitbesteding, alsmede het vereiste van een adequate uitoefening van de risicobeheerfunctie, in veel gevallen in de weg aan het uitbesteden van het houderschap van de risicobeheerfunctie.

Dit geldt ook voor de interne auditfunctie, omdat uitbesteding geen afbreuk mag doen aan de kwaliteit van de onafhankelijke interne toetsing bij de pensioenuitvoerder. Hier zal in veel gevallen sprake van zijn als de rol van de houder van de interne auditfunctie wordt uitbesteed.

Indien een sleutelfunctie wordt uitbesteed, moet DNB daarvan in kennis worden gesteld vóórdat de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed in werking treedt.

Beheerste bedrijfsvoering

Inleiding

Pensioenfondsen waren reeds verplicht beleid op te stellen en uitvoeren ten aanzien van

de beheersing van te lopen risico’s.

Verdere vastlegging regels beheerste bedrijfsvoering

Ter implementatie van de herziene IORP-richtlijn zijn hierover nadere regels vastgelegd.

Ten eerste worden nadere eisen gesteld aan het beleid dat in het kader van het risicobeheer moet worden opgesteld over de beheersing van te lopen risico’s, alsmede aan de evaluatie en actualisatie hiervan.

Ten tweede is voorgeschreven dat een pensioenfonds strategieën, processen en rapportageprocedures moet vaststellen die noodzakelijk zijn voor het regelmatig onderkennen, meten, bewaken en beheren van de risico’s waaraan het pensioenfonds en de door het pensioenfonds uitgevoerde pensioenregelingen zijn of kunnen worden blootgesteld.

Ten derde is vastgelegd op welke risico’s het beleid ten aanzien van de beheersing van te lopen risico’s ten minste gericht moet zijn.

Ten vierde is vastgelegd dat een pensioenfonds bij de uitvoering van een premieovereenkomst in de opbouwfase of een variabele uitkering de beleggingsrisico’s die deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden lopen, vanuit het oogpunt van de deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden, in aanmerking moet nemen bij het opstellen en uitvoeren van het beleid ten aanzien van de beheersing van te lopen risico’s.

Ten vijfde is de risicobeheerfunctie uitgewerkt. Deze moet zodanig opgezet worden dat zij bevorderlijk is voor het risicobeheer.

Ten zesde moet een algemeen pensioenfonds er zorg voor dragen dat de administratieve en boekhoudkundige procedures, de scheiding waarborgen tussen de afgescheiden vermogens die per collectiviteitkring worden aangehouden.

Eigenrisicobeoordeling

De implementatiewet van de herziene IORP-richtlijn verplicht pensioenfondsen in het kader van het risicobeheer ten minste driejaarlijks een zogenoemde eigenrisicobeoordeling uit te voeren.

De eigenrisicobeoordeling is een instrument voor een pensioenfonds om inzicht te krijgen in de samenhang tussen de strategie van het pensioenfonds, de materiële risico’s die het pensioenfonds kunnen bedreigen, de mogelijke consequenties hiervan voor de financiële positie van het pensioenfonds en de pensioenrechten van pensioengerechtigden en pensioenaanspraken van (gewezen) deelnemers.

De eigenrisicobeoordeling geeft inzicht in de effectiviteit van het risicobeheer inclusief de (feitelijke) beheersmaatregelen. Dit inzicht is van essentieel belang voor de vormgeving van het risicobeheer van het pensioenfonds.

De eigenrisicobeoordeling maakt integraal onderdeel uit van de strategie van het pensioenfonds en de resultaten dienen in aanmerking te worden genomen bij het nemen van strategische beslissingen.

De implementatiewet voor de herziene IORP-richtlijn stelt verschillende eisen aan de inhoud van de eigenrisicobeoordeling. Zo dient de eigenrisicobeoordeling onder andere een beoordeling te omvatten van de doelmatigheid van het risicobeheersysteem, de totale financieringsbehoeften van het pensioenfonds en de (operationele) risico’s.

Het pensioenfonds is verantwoordelijk voor het vaststellen van de eigenrisicobeoordeling.

DNB houdt hier toezicht op. Om goed toezicht door DNB mogelijk te maken is vastgelegd dat een pensioenfonds (een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van) de eigenrisicobeoordeling na de totstandkoming daarvan – en na elke wijziging – aan DNB zendt. Het heeft daarbij de voorkeur dat de  eigenrisicobeoordeling een zelfstandig leesbaar document is, met eventueel gerichte verwijzingen naar andere documenten die het pensioenfonds heeft opgesteld (zoals het financieel crisisplan, de actuariële en bedrijfstechnische nota en de haalbaarheidstoets). Dit komt zowel de toepasbaarheid van de eigenrisicobeoordeling binnen het pensioenfonds voor de totstandkoming van (aanvullende) risicobeheersmaatregelen, als het toezicht dat door DNB wordt uitgeoefend ten goede.

Beloningsbeleid

Inleiding

Het beloningsbeleid mag niet aanmoedigen tot het nemen van meer risico’s dan voor het pensioenfonds aanvaardbaar is.

Het pensioenfonds legt het beleid inzake beloningen schriftelijk vast en draagt er zorg voor dit beleid te implementeren en in stand te houden.

Het beleid moet afgestemd zijn op de omvang en organisatie van het pensioenfonds en op de aard, omvang en complexiteit van zijn bedrijf. De Code Pensioenfondsen schrijft voor dat het beloningsbeleid passend moet zijn gelet op de bedrijfstak, onderneming of beroepsgroep waarvoor het pensioenfonds de pensioenregeling uitvoert.

Uitbreiding

Toegevoegd is dat het beleid in overeenstemming moet zijn met de werkzaamheden, het risicoprofiel, de doelstellingen, het langetermijnbelang, de financiële stabiliteit en de prestaties van het pensioenfonds als geheel, en bij moet dragen aan een deugdelijk, prudent en doeltreffend bestuur van het pensioenfonds.

Verder moet het pensioenfonds het beleid inzake beloningen ten minste driejaarlijks evalueren en actualiseren.

Uitbesteding

Inleiding

Indien een pensioenuitvoerder werkzaamheden uitbesteedt aan een derde moet hij er zorg voor dragen dat deze derde de wettelijke regels, die van toepassing zijn op de uitbestedende pensioenuitvoerder, naleeft. Een pensioenfonds legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed schriftelijk vast. De Pensioenwet somt een aantal onderwerpen op die in de uitbestedingsovereenkomst in ieder geval moeten worden geregeld.

Een aantal werkzaamheden mogen niet worden uitbesteed.[1]

Uitbreiding

De toepasselijkheid van de algemene beginselen van het beloningsbeleid van het pensioenfonds op de derde, is toegevoegd aan de lijst met onderwerpen die in de uitbestedingsovereenkomst moeten zijn opgenomen. Dit betekent dat een pensioenfonds er voor moet zorgdragen dat de algemene beginselen van het beloningsbeleid van het pensioenfonds worden toegepast bij derden waaraan werkzaamheden van het pensioenfonds zijn uitbesteed. Dit staat (ook) al in de Code Pensioenfondsen.

Ook nieuw is dat uitbesteding niet (meer) is toegestaan:

  • indien door de uitbesteding het operationeel risico onnodig toeneemt.
  • indien door de uitbesteding de continuïteit en de toereikendheid van de dienstverlening aan deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden wordt ondermijnd.

Communicatie

Inleiding

De Wet Pensioencommunicatie is vanaf 1 januari 2015 gefaseerd in werking getreden. De laatste bepalingen treden, naar verwachting, in 2020 in werking.

Hoewel de herziene IORP-richtlijn betrekking heeft op pensioenfondsen en PPI’s heeft de Nederlandse wetgever (alleen) voor de informatievereisten richting (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden er voor gekozen dat de veranderingen in de bepalingen over informatieverstrekking ook gevolgen hebben voor verzekeraars voor zover zij een tweede pijlerpensioenregeling uitvoeren.

De informatieverstrekking gaat via de volgende kanalen: Pensioen 1-2-3, het Uniform Pensioenoverzicht (UPO), het Pensioenregister, de Website van de pensioenuitvoerder (het openbare gedeelte), de Website van de pensioenuitvoerder (het besloten gedeelte) en (eventueel) de Berichtenbox van mijnoverheid.nl.

De pensioenuitvoerder is eindverantwoordelijke voor de informatieverstrekking. Dit was de werkgever. Het is alleen nog de taak van de werkgever de pensioenuitvoerder te informeren over het sluiten van een pensioenovereenkomst met een werknemer,  de start van de verwerving van pensioenaanspraken door de werknemer.

Pensioen 1-2-3

De pensioenuitvoerder informeert de werknemer binnen drie maanden na de start van het verwerven van pensioenaanspraken door de werknemer over de kenmerken van de pensioenregeling, aldus de gewijzigde Pensioenwet.  In de tekst van vóór de implementatiewet stond dat de werkgever er voor zorg moest dragen dat de pensioenuitvoerder dit deed.

Met de voorgestelde wijziging wordt gerealiseerd dat de eindverantwoordelijkheid voor het informeren van de deelnemer bij de pensioenuitvoerder ligt en niet meer bij de werkgever.

De wetgever geeft aan welke informatie de pensioenuitvoerder de werknemer moet verstrekken. Toegevoegd aan het rijtje te verstrekken informatie wordt:

  • Op welke wijze in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen en
  • Indien van toepassing, de beleggingsmogelijkheden van de deelnemer of gewezen deelnemer waarin de pensioenregeling voorziet

UPO en informatieverstrekking deelnemer

Aan het UPO voor de deelnemer worden de volgende onderdelen toegevoegd:

  • Informatie over de reglementaire pensioenleeftijd
  • Een opgave van de reglementair te bereiken pensioenaanspraken, waarbij deze gegevens voor zover het ouderdomspensioen betreft, tevens weergegeven worden op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario, met de waarschuwing dat de projecties kunnen verschillen van de definitieve hoogte van de te ontvangen pensioenuitkeringen[2].

Ten aanzien van nabestaandenpensioen wordt aangegeven wat de consequenties zijn van de gekozen wijze van financieren

  • Informatie over de werkgeverspremie en werknemerspremie. Deze informatie moet betrekking hebben op de premies die over het afgelopen jaar in rekening zijn gebracht, oftewel het jaar waarop het UPO betrekking heeft. Het volstaat daarbij om de premie uit te drukken in een totaalpercentage van het salaris waarover pensioen wordt opgebouwd. Er is niet gekozen voor de verplichting tot het opnemen van de exacte premieverdeling voor elke deelnemer in euro’s
  • Informatie over garanties
  • Informatie over het land waar het pensioen is ondergebracht en de toezichthouder waar het pensioen onder valt
  • Voor zover van toepassing, informatie over de dekkingsgraad naar Nederlandse maatstaf
  • Voor zover van toepassing, informatie over de ingehouden kosten

De informatie over de reglementair te bereiken pensioenaanspraken bevat:

  • In geval van een uitkeringsovereenkomst een opgave van de hoogte van het periodiek uit te keren pensioen vanaf de ingangsdatum van het pensioen
  • In geval van een kapitaalovereenkomst een indicatie[3] van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum wanneer het kapitaal daarvoor wordt aangewend; of
  • In geval van een premieovereenkomst:
    • Wanneer de premie wordt belegd, een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum
    • De hoogte van de periodieke uitkering wanneer de premie voor de ingangsdatum van het pensioen reeds daarvoor wordt aangewend of
    • Een indicatie[4] van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum wanneer de premie voor de ingangsdatum van het pensioen reeds wordt aangewend voor een verzekerd kapitaal

UPO en informatieverstrekking gewezen deelnemer

Het UPO voor de gewezen deelnemer moet jaarlijks verstrekt worden in plaats van ten minste een keer in de vijf jaar. Het volstaat als de pensioenuitvoerder de informatie op zijn website ter beschikking stelt, mits ten minste een keer in de vijf jaar de keuze wordt voorgelegd de  informatie schriftelijk of elektronisch te ontvangen.

De wettelijke mogelijkheid dat de pensioenuitvoerder op verzoek van de gewezen deelnemer informatie verstrekt is komen te vervallen omdat de pensioenuitvoerder nu jaarlijks informatie moet vertrekken en niet meer eens in de vijf jaren.

Met betrekking tot de opgebouwde pensioenaanspraken worden de gegevens, voor zover het ouderdomspensioen betreft, tevens weergegeven worden op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario, met de waarschuwing dat de projecties kunnen verschillen van de definitieve hoogte van de te ontvangen pensioenuitkeringen[5].

Verder worden aan het UPO voor de gewezen deelnemer de volgende onderdelen toegevoegd:

  • Informatie over de reglementaire pensioenleeftijd
  • Informatie over garanties
  • Informatie over het land waar het pensioen is ondergebracht en de toezichthouder waar het pensioen onder valt
  • Voor zover van toepassing, informatie over de dekkingsgraad naar Nederlandse maatstaf en
  • Voor zover van toepassing, informatie over de ingehouden kosten.

Tot slot is toegevoegd dat de pensioenuitvoerder de gewezen deelnemer binnen drie maanden na een voor hem relevante wijziging in het pensioenreglement moet informeren over die wijziging en de mogelijkheid om het gewijzigde pensioenreglement op te vragen bij de pensioenuitvoerder.

UPO en informatieverstrekking pensioengerechtigde

Aan het UPO voor de pensioengerechtigde zijn de volgende onderdelen toegevoegd:

  • Informatie over garanties
  • Informatie over het land waar het pensioen is ondergebracht en de toezichthouder waar het pensioen onder valt

UPO en informatieverstrekking deelnemers inzake vrijwillige pensioenregeling

De pensioenuitvoerder informeert een deelnemer voorafgaand aan de deelneming in de vrijwillige pensioenregeling over de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling, de reglementair te bereiken pensioenaanspraken uit hoofde van de vrijwillige pensioenregeling, de toeslagverlening en vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten. Aan dit rijtje moet worden toegevoegd:

  • Voor zover van toepassing, informatie over beleggingsresultaten. De informatie hoeft alleen te worden verstrekt indien sprake is van een premieovereenkomst. De informatie hoeft niet te worden verstrekt indien de vrijwillige pensioenregeling het karakter heeft van een uitkeringsovereenkomst. De informatie heeft betrekking op de resultaten van de afgelopen vijf jaar of, indien de pensioenregeling minder dan vijf jaar is uitgevoerd, alle jaren gedurende welke de pensioenregeling is uitgevoerd door de pensioenuitvoerder
  • Voor zover van toepassing, informatie over de structuur van de kosten die door deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden worden gedragen. De informatie over de structuur van de kosten die door deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden worden gedragen wordt verstrekt indien sprake is van een premieovereenkomst en heeft betrekking op de administratieve uitvoeringskosten, de kosten van vermogensbeheer, de transactiekosten, indien deze kosten van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht

Informatieverstrekking op verzoek

De informatie die de pensioenuitvoerder de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gewezen partner of de pensioengerechtigde op verzoek verstrekt behelst nu ook:

  • Informatie over de gehanteerde aannamen bij de weergave van ouderdomspensioen op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario.

Verder verstrekt de pensioenuitvoerder de deelnemer, gewezen deelnemer of gewezen partner op verzoek:

  • In geval van een kapitaalovereenkomst een opgave van de hoogte van het voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de ingangsdatum van het pensioen. Een opgave op verzoek van de hoogte van het kapitaal volstaat, omdat in het UPO al jaarlijks een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen wordt verstrekt.
  • In geval van een premieovereenkomst.
    • Wanneer de premie wordt belegd, een indicatie van het te bereiken voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de pensioendatum met de daarbij gehanteerde veronderstellingen. Een verzoek om een opgave van een indicatie van het te bereiken kapitaal volstaat, omdat in het UPO al jaarlijks een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen wordt verstrekt of
    • De hoogte van het voor periodieke uitkeringen aan te wenden verzekerd kapitaal wanneer de premie voor de ingangsdatum van het pensioen reeds daarvoor wordt aangewend. Een verzoek om een opgave van de hoogte van het kapitaal volstaat, omdat in het UPO al jaarlijks een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen wordt verstrekt.

Ten aanzien van nabestaandenpensioen moet worden aangegeven wat de consequenties zijn van de gekozen wijze van financieren.

Indien sprake is van een premieovereenkomst waarbij de deelnemer of gewezen deelnemer tijdens de opbouwperiode de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen verstrekt de uitvoerder op verzoek van de deelnemer of gewezen

deelnemer informatie over alle beleggingsmogelijkheden, de feitelijke  beleggingsportefeuille, de risicopositie en de kosten in verband met de beleggingen.

Indien sprake is van een premieovereenkomst in de opbouwfase of een variabele uitkering verstrekt de uitvoerder op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde informatie over de resultaten die de beleggingen van de pensioenregeling ten minste de afgelopen vijf jaar hebben behaald of, indien de pensioenregeling minder dan vijf jaar is uitgevoerd, alle jaren gedurende welke de

pensioenregeling is uitgevoerd door de pensioenuitvoerder.

De pensioenuitvoerder verstrekt de gewezen partner op verzoek:

  • Een opgave van de opgebouwde aanspraak op partnerpensioen
  • Informatie over toeslagverlening en
  • Informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten op grond van artikel 134.

Dit recht was er al en is, anders dan bij de gewezen deelnemers, blijven staan, omdat de gewezen partner (nog steeds) eens in de vijf jaar geïnformeerd hoeft te worden.

Toegevoegd is de bepaling die bepaalt dat de pensioenuitvoerder de pensioengerechtigde op verzoek een opgave van zijn pensioenrecht verstrekt, waarbij deze gegevens voor zover het ouderdomspensioen betreft, tevens weergegeven worden op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario.

Alle informatie die de pensioenuitvoerder op verzoek verstrekt moet kosteloos verstrekt worden.

Op website beschikbare informatie

Voor zover van toepassing stelt de pensioenuitvoerder op zijn website voor de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde informatie beschikbaar over de gevolgen van significante wijzigingen in de technische voorzieningen. De verklaring inzake beleggingsbeginselen hoeft niet meer op het besloten gedeelte van de website. Deze komt nu, voorzover van toepassing, op het openbare gedeelte van de website dat voor een ieder toegankelijk is.

Informatie elektronisch of schriftelijk

De pensioenuitvoerder verstrekt de informatie elektronisch of schriftelijk. Toegevoegd is dat, de pensioenuitvoerder de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde aan wie de informatie elektronisch wordt verstrekt, op verzoek, (ook) een papieren afschrift van de informatie moet verstrekken.

Taal

De informatie die de pensioenuitvoerder verstrekt of beschikbaar stelt moet beschikbaar zijn in de Nederlandse taal. Dit is met name relevant voor de situatie waarin een Nederlandse pensioenregeling wordt uitgevoerd door een pensioeninstelling uit een andere lidstaat. In dat geval blijft de Nederlandse sociale- en arbeidswetgeving van toepassing. Hieronder vallen ook de bepalingen waarmee de informatievoorschriften uit de richtlijn zijn geïmplementeerd. Concreet heeft dit als gevolg dat de pensioeninstelling uit de andere lidstaat de informatie die aan deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden moet worden verstrekt of ter beschikking moet worden gesteld beschikbaar moet hebben in de Nederlandse taal.

Stresstest

Nieuw is dat DNB een pensioenfonds de verplichting kan opleggen om een stresstest uit te voeren. Met behulp van een stresstest kan in kaart worden gebracht hoe de financiële omstandigheden van een pensioenfonds zich ontwikkelen onder verschillende situaties van de financiële markten. DNB is, blijkens de parlementaire geschiedenis, niet van plan om gebruik te maken van deze bevoegdheid.

Gereglementeerde markten

Inleiding

Een pensioenfonds moet de waarden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten moet beleggen.

Wat is een gereglementeerde markt?

Nieuw is dat nu is geëxpliciteerd wat onder een gereglementeerde markt wordt verstaan. Een gereglementeerde markt is een multilateraal systeem dat meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten – binnen dit

systeem en volgens de niet-discretionaire regels van dit systeem – samenbrengt of het samenbrengen daarvan vergemakkelijkt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit met betrekking tot financiële instrumenten die volgens de regels en de systemen van die markt tot de handel zijn toegelaten, en dat regelmatig en overeenkomstig de geldende regels inzake de vergunningverlening en het doorlopende toezicht werkt.

[1] Middels de Verzamelwet pensioenen 2019 die per 1 januari 2019 in werking is getreden, is nader uitgewerkt dat het bestuur altijd verantwoordelijk blijft voor vermogensbeheer, ook al is het uitbesteed. Via een amendement van het lid Omtzigt  zijn enkele onderdelen in de Verzamelwet pensioenen 2019 geïntroduceerd, waarmee op wettelijk niveau wordt geregeld welke werkzaamheden niet door een pensioenuitvoerder mogen worden uitbesteed. De regering benadrukte in de memorie van antwoord dat fiduciair beheer als zodanig niet wordt verboden. Een fiduciair beheerder kan het pensioenfonds adviseren over bijvoorbeeld het beleggingsbeleid, het risicomanagement, de samenstelling van de beleggingsportefeuille en over de selectie van operationeel vermogensbeheerders. Het bestuur is en blijft eindverantwoordelijk voor het toezicht en voor eventuele bijsturing.

[2] In overgangsrecht wordt geregeld dat op het UPO dat in 2019 aan deelnemers wordt verstrekt enkel een nominale weergave van het reglementair te bereiken ouderdomspensioen hoeft te zijn opgenomen. Een weergave in drie scenario’s is niet nodig. Reden hiervoor is dat de weergave in drie scenario’s aanpassingen vergt in de ICT-systemen van pensioenuitvoerders die pas in de loop van 2019 kunnen zijn gerealiseerd. Hierdoor is tijdige verstrekking van UPO’s met drie scenario’s in 2019 niet mogelijk.

[3] Bij de indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen worden de op dat moment bij de  pensioenuitvoerder geldende tarieven gehanteerd.

[4] Bij de indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen worden de op dat moment bij de  pensioenuitvoerder geldende tarieven gehanteerd.

[5] In overgangsrecht wordt geregeld dat op het UPO dat in 2019 aan gewezen deelnemers wordt verstrekt enkel een nominale weergave van het reglementair te bereiken ouderdomspensioen hoeft te zijn opgenomen. Een weergave in drie scenario’s is niet nodig. Reden hiervoor is dat de weergave in drie scenario’s aanpassingen vergt in de ICT-systemen van pensioenuitvoerders die pas in de loop van 2019 kunnen zijn gerealiseerd. Hierdoor is tijdige verstrekking van UPO’s met drie scenario’s in 2019 niet mogelijk

Disclaimer
Swalef streeft er naar de informatie correct en actueel te verstrekken. Aan de informatie die is verstrekt kunnen echter geen rechten worden ontleend.
Swalef aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor de inhoud en de informatie in dit nieuwsbericht.