Artikel 108 Pensioenwet, ontslagbescherming voor leden van pensioenfondsorganen

mrt 08
SPEN/CION Gecertificeerd

Printen?
Download hieronder het pdf bestand.

Download PDF nieuwsbericht

Aanleiding

Bij verschillende grote organisaties zijn reorganisaties gaande en worden werknemers boventallig verklaard. Wanneer zo’n organisatie over een ondernemingspensioenfonds beschikt en juist de mensen die lid zijn van organen van het pensioenfonds zouden moeten vertrekken, raakt dat de continuïteit van het pensioenfonds.

Afgelopen maanden kwam precies deze vraag meerdere malen of via een adviestraject of via onze opleidingen bij ons terecht. Vanwege het belang hiervan besteden wij hier daarom in dit nieuwsbericht aandacht aan.

Inleiding

Voor een goede uitoefening van de taken van het pensioenfondsbestuur, het verantwoordingsorgaan, het belanghebbendenorgaan, maar overigens ook de bestuurssecretaris, is het belangrijk dat de leden van deze organen onafhankelijk van de werkgever kunnen optreden. De leden dienen zich op geen enkele wijze geremd te voelen in de uitoefening van hun functie. Door de uitoefening van hun taak zijn zij als werknemers kwetsbaarder dan andere werknemers. Daarom is er extra rechtsbescherming nodig, als aanvulling op de gewone arbeidsrechtelijke bescherming van elke werknemer.[1]

Deze extra rechtsbescherming is gebaseerd op de rechtsbescherming van werknemers die lid zijn van de ondernemingsraad. Voor hun is een vorm van algemene benadelingsbescherming en ontslagbescherming opgenomen in artikel 21 van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) en in diverse artikelen in het Burgerlijk Wetboek.[2]

Beschermingsmaatregelen

Per 1 juli 2014 is artikel 108 opgenomen in de Pensioenwet.[3] De inhoud van artikel 108 Pensioenwet stond voor 1 juli 2014 overigens opgenomen in artikel 104 Pensioenwet. In dit artikel zijn twee soorten beschermingsmaatregelen zichtbaar. De benadelingsbescherming en de ontslagbescherming.

Benadelingsbescherming

Onder benadeling kan in dit verband onder andere verstaan worden: benadeling in promotiekansen, gedwongen overplaatsing naar een ander bedrijfsonderdeel en schorsing.[4]

Ontslagbescherming

De ontslagbescherming is opgenomen in lid 4 van artikel 108 Pensioenwet.[5] Dit houdt in dat de werkgever een arbeidsovereenkomst met de werknemer die (plaatsvervangend) lid is van het pensioenfondsbestuur, het vertegenwoordigingsorgaan, het belanghebbendenorgaan of de bestuurssecretaris niet kan opzeggen. Werknemers die op de kandidatenlijst voor het pensioenfondsbestuur, het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan staan en werknemers die voorheen (niet langer dan twee jaar geleden) hiervan lid waren, kunnen ook niet worden ontslagen (lid 5).

In lid 6 van artikel 108 PW is de uitzondering van de ontslagbescherming opgenomen. Lid vier en vijf zijn niet van toepassing bij een opzegging gedurende de proeftijd, wegens dringende reden, indien de werknemer schriftelijk met de opzegging instemt of wanneer de opzegging geschiedt wegens de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming wanneer in de werknemer uitsluitend of hoofdzakelijk werkzaam is.

Positie verantwoordingsorgaan

Bij pensioenfondsen met een paritair (gemengd) bestuur of een omgekeerd gemengd bestuur is er een verantwoordingsorgaan. Het bestuur van het pensioenfonds legt verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan.

Uit de evaluatie van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen zoals gepubliceerd op 8 maart 2018 en waar Swalef aan mee mocht werken, bleek dat onder andere de benoeming en ontslagprocedure van leden van verantwoordingsorganen knelde.

Inmiddels is dit opgelost in norm 39 van de herziene Code Pensioenfondsen die najaar 2018 is gepubliceerd.

Norm 39 bepaalt dat een bestuurslid wordt benoemd en ontslagen door het bestuur, na het horen van de raad van toezicht over de procedure. Een lid van het verantwoordingsorgaan wordt benoemd door het bestuur en ontslagen door het verantwoordingsorgaan zelf. Leden van verantwoordingsorganen kunnen dus niet meer worden ontslagen door het bestuur, zij doen dat immers zelf. Slechts in uitzonderlijke situaties kan het bestuur in overleg met het interne toezicht een lid ontslaan.[6]

Naast de waarborg uit de Code (mits deze wordt gevolgd), geldt de waarborg uit de Pensioenwet in genoemde artikel 108 Pensioenwet. Daarnaast eist artikel 111 lid 1 sub g en j Pensioenwet dat in de statuten van een pensioenfonds een bepaling wordt opgenomen over de wijze waarop de leden van het bestuur en het verantwoordingsorgaan dan wel belanghebbendenorgaan worden benoemd en ontslagen.

Conclusie

Ben jij boventallig verklaard en wordt je verzocht het bedrijf te verlaten, maar ben je ook lid van een van de organen van het pensioenfonds, dan kan dat niet zomaar. Zorg, ook als bestuur van het pensioenfonds, dat artikel 108 Pensioenwet ter sprake komt, om de continuïteit te borgen.

[1] Kamerstukken II 2005/06, 30413, 3 p. 76 en 77.

[2] Artikel 7:670, 7:670 a en 7:670b BW.

[3] Stb. 2013, 302.

[4] Tekst & Commentaar op art. 108 PW door T. Huijg.

[5] Ontleend aan Art. 7:670 lid 4 BW.

[6] Code Pensioenfondsen oktober 2018, p. 26.

Disclaimer
Swalef streeft er naar de informatie correct en actueel te verstrekken. Aan de informatie die is verstrekt kunnen echter geen rechten worden ontleend.
Swalef aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor de inhoud en de informatie in dit nieuwsbericht.

Swalef pensioenjuristen en academie

Geschreven door

Swalef pensioenjuristen en academie | Ons bevlogen team van pensioenjuristen adviseert jou graag over pensioenjuridische kwesties. Vanuit de Academie verzorgen verschillende onafhankelijke docenten die opereren in de top van hun vakgebied, gecertificeerde pensioenopleidingen.